Frida Kahlo Diego Rivera y Trotsky Video Original
er zal nog een update volgen op dezelfde pagina
Wil je vlot allerlei teksten schrijven? Dan is deze cursus iets voor jou.
Je leert :
Om de afbeeldingen te vergroten klik er gewoon op

Leon Spilliaert : Enchanced flute Tijtel hier gevonden : http://vanicat.blogspot.be/p/blog-page.html
Een voorbeeld van wat wij doen @Kunst en Cultuur.
Een van de cursisten bespreekt Study of the trunk of an elm tree van Constable
OPEN SCHOOL : KUNST EN CULTUUR
Opgave : Bespreek een schilderij aan de hand van de les “Een schilderij bekijken”
Compositie : Study of the trunk of an elm tree (1821) – (30 x 25 cm)
Kunstschilder : John Constable (1776 – 1837)
Het schilderij geeft een stukje natuur weer.
Het betreft een figuratieve afbeelding van een grasperk met een boom waarvan de stam zichtbaar is alsook enkele wortels en de onderste twee takken waarvan het bladerdek een deel van de achtergrond aan het oog onttrekt.
De stam staat dominant op de voorgrond afgebeeld en beslaat de ganse hoogte van het schilderij. De breedte van het werk is voor een derde ingenomen door de boom.
De stam is zeer gedetailleerd – bijna fotografisch – weergegeven als een verweerde en met mos begroeide schors.
Het bladerdek van de twee zichtbare takken is eerder vaag en donkergroen geschilderd met groengele stipjes. Enkel de beschaduwde onderkant van de takken is zichtbaar en hebben een donkerbruine tot zwarte kleur.
De achtergrond wordt gevormd door een donker tot lichtgroen grasperk dat het onderste derde van het schilderij beslaat. De bovenste twee-derden van de achtergrond bestaat uit een vage groene schijn van heesters en bomen met daar middenin – en ten dele verborgen door de boom – een witte en lichtblauw omrande opening in het bladerdek waardoor het licht binnenvalt op een deel van het grasveld, dat op die plaats een geelgroene kleur krijgt.
De gebruikte kleur voor het schilderij is overwegend groen met een beetje bruin en zwart voor de stam en de takken van de boom. De achtergrond kleurt op twee kleine plaatsen wit en blauw als open lucht.
Het werk is zeer realistisch geschilderd met zin voor details zoals die in de natuur te zien zijn.
Het schilderij is van de hand van John Constable – geboren op 11 juni 1776 in East Bergholt in het graafschap Suffolk en overleden in London (Hampstead) op 31 maart 1837 op de leeftijd van 61 jaar. Hij groeide op in een welstellend burgergezin daar zijn vader een brouwer in goeden doen was. Hij huwde met Maria Bicknell van hogere afkomst en kreeg zeven kinderen. Hij leefde in het Engeland van eind achttiende – begin negentiende eeuw waar de burgerij als nieuwe klasse zijn intrede doet. Deze burgerij is begoed en wil deelnemen aan het sociaal leven door interesse te tonen voor de kunst. De beeldende kunst brengt ook meer onderwerpen van het dagelijks leven zoals voor de muziek de concerten voor het publiek zich aanmelden in daartoe speciaal ingerichte privé-zalen. Dit geldt eveneens voor het theaterleven.
Door zijn maatschappelijke stand kon Constable zich volledig toeleggen op de schilderkunst.
Hij is gekend als Engels aquarellist en wordt beschouwd als de vader van het landschapschilderen. Zijn werken zijn gekend en bewonderd voor de lichteffecten en ook de wolkenluchten in zijn grote werken.
Het schilderij draagt de titel “Study of the trunk of an elm tree”. Het werd in 1821 geschilderd met olieverf op doek en was bedoeld als studie voor grotere werken en is daarom slechts 30 op 25 cm groot. Niettemin is het van een zeer hoogstaande kwaliteit. Het merendeel van zijn werken zijn volledig in de natuur zelf geschilderd. Dat vloeide voort uit zijn zin voor het realisme in zijn werk. Hij diende de werkelijkheid constant voor ogen te hebben bij het schilderen. Hij kantte zich tegen het academische in de kunst.
Het werk spreekt mij aan omwille van zijn compositie met de boom indrukwekkend op de voorgrond. Daarenboven geeft het werk mij een gevoel van contact met de werkelijkheid door de realistische weergave en het sfeervol gebruik van keuren.
De grotere werken van Constable geven veel beter de sfeer aan dan zijn studies alhoewel de
“Study of the Trunk of an Elm Tree” algemeen wordt erkend als een hoogstaand sfeervol werk.
Ik vind het schilderij mooi en het spreekt mij aan omwille van ……. Ik ben nog steeds op zoek naar het waarom alhoewel het waarom niet op de eerste plaats komt als het over Schoonheid gaat. Het waarom sluit aan bij de rede en dat is geen bril om naar een kunstwerk te kijken.
Monet With Beethovens Symphony No. 7
en Asger Jorn,(Vejrum (Jutland), 3 maart 1914 – Aarhus, 1 mei 1973) was een Deens kunstschilder, schrijver en filosoof. Hij was een van de hoofdfiguren van de Cobrabeweging
Asger Jorn reisde naar Frankrijk, waar hij in 1948 samen met Constant, Corneille en Karel Appel uit Nederland en Christian Dotremont en Joseph Noiret uit België Cobra opricht. Jorn werd gezien als een van de belangrijke inspirators binnen Cobra. Hij reisde veel en onderhield de internationale contacten. Zijn werk was te zien op de grote Cobra-tentoonstellingen in Amsterdam (1949) en Luik (1951). Hij keerde verarmd en door tuberculose verzwakt terug naar Denemarken.
zie interessant artikel op wikipedia
Het artikel is wel gedateerd – reeds twaalf jaar terug in de tijd MAAR echte kunst verouderd niet en sterft nooit.
Naakte scheppingsdrangIngrid van den Bergh Het doek is felrood geschilderd, met hier en daar een vlek lila. Bovenaan een grijs gewolkte rand. Takkenbossen lopen in verticale richting voor het doek langs, hun donkergrijze schaduwen zijn er op geschilderd. Daartussen afbeeldingen van voeten, handen en vlezige billen. Tegen deze achtergrond balanceert het geraamte, zilverkleurig. Eén dijbeen opgetrokken, het scheenbeen in een hoek van 45 graden. Dans 1. Spaakbeen, ellepijp en opperarmbeen klepperen mee op de maat. De ribbenkast helt naar achteren; hoog op de atlas de grijnzende doodskop. Getekend: Appel, 2004.
De nadruk in de van Karel Appel tentoongestelde werken ligt op de grote assemblages die hij de afgelopen jaren heeft gemaakt. Schilderijen met daarop de meest uiteenlopende attributen: takken, kettingen met ballen er aan, koeienkoppen, een emmer met houten tulpen, maskers. Er zijn er heel wat van recente makelij zoals Het dierenwoud uit 2003 (objects trouvés, hout, acryl en olieverf op doek). Het kunstwerk is opgebouwd uit twee delen. Het doek (200x280x25 cm.) is beschilderd in de drie primaire kleuren en grijs. Daarop zijn takkenbossen vastgemaakt. Aan de bovenkant zijn kettingen bevestigd waaraan, op verschillende hoogtes, witte ballen hangen. Op de grond vóór het schilderij staat (op een door de meester voorgeschreven afstand?) een rood geschilderd plateau (160x280x93 cm.). Daarop liggen zilverkleurige, met rode strepen versierde, dierenfiguren met takken en gekleurde ballen er tussen gegroepeerd. De werken van Karel Appel heersen vanaf de wanden en in de ruimte. Neem nou deze zaal, geheel gewijd aan de kunstenaar. Een hele wand met doeken vol Appelkleuren. Bijna niet te harden, die kleuren. Daar tegenover The Victory of matter (2002), bestaande uit vijf delen. De verf is dik opgebracht, in een rafelig profiel komt ze los van het doek. Ik breek mijn hersens over de betekenis van harige zwijnenkoppen of een goudkleurige hertenkop, aan schilderijen vastgeketend alsof ze de kunstwerken van de wanden willen trekken. Wellicht zou Appel zeggen dat zijn kunstwerken op zichzelf staan, niet bedoeld zijn om er een uitleg aan te verbinden. Zoals dat geldt voor gedichten, waarvan de zeggingskracht groeit door ze steeds opnieuw hardop te lezen. Temidden van deze verbindingen tussen plat vlak en driedimensionaal zijn witte figuren los in de ruimte gezet: paardenkoppen op een menselijke tors. Vanonder hun oogharen staan ze, een beetje schuin in de ruimte, naar het publiek te kijken, trekken zich niets aan van het bombardement aan kleuren langs de wanden. Vergelijkingen en contrasten
De werking van deze expositie stijgt uit boven die van de meer traditionele, historisch verantwoorde en daardoor minder uitdagende kunstpresentaties. Curator Rudi Fuchs laat het werk van Karel Appel een dialoog aangaan met portretten, landschappen, stillevens en naakten van oude meesters uit de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden als Rubens, Rembrandt en van Dyck én met moderne Nederlandse en Vlaamse kunstenaars als Ensor, Mondriaan, Permeke en Brusselmans. Ook is een ontmoeting gearrangeerd tussen Appel en zijn kompanen uit de CoBrAperiode: Pierre Alechinsky, Theo Wolvecamp, Hugo Claus, Lucebert e.a. De getoonde werken bestrijken een tijdperk vanaf de 16e eeuw tot heden. De opstelling in deze tentoonstelling is zodanig georganiseerd dat tussen de verschillende kunstwerken vergelijkingen worden afgedwongen. De beschouwer moet meer zijn best doen dan bij de traditionele mise-en-scène. Hij moet de vergelijking willen maken en, behalve de verschillen, ook de overeenkomsten willen zien. Contrasten laten enerzijds de kunstwerken op elkaar ketsen, anderzijds scheppen ze de harmonie in het geheel van deze tentoonstelling. Zoals in een schilderij de vormen en kleuren de compositie bepalen, zo bepalen in deze tentoonstelling de afzonderlijke werken de compositie van een zaal. Door hun opstelling laten de kunstwerken zich niet inkaderen in een eng gezichtsveld. Dit vraagt om een andere dan de gebruikelijke wijze van beschouwen. Bij het betreden van de zaal in één oogopslag alles overzien, dan elk werk afzonderlijk bekijken. Vervolgens opnieuw, vanuit verschillende posities, de hele compositie van wand tot wand overzien, brutaalweg kijken en met gretige ogen alles indrinken. Wie kijkt met een open blik ziet uit de vergelijking de verschillen en overeenkomsten geboren worden: tussen het grafisch zwart-wit en het kleurrijk olieverfschilderij; tussen ongebreidelde abstractie en het kader van figuratie; tussen de afzonderlijke vertegenwoordigde stijlen. Uit de vergelijking ook van de beeldende met de literaire kunst. Een brug tussen beide wordt geslagen waar de schilder/dichters Lucebert en Hugo Claus kunstwerken maken met als ingrediënten woorden en papier: “maar reeds sneeuwt en hagelt mijn vrees een matte schetteraar van porselein” (Lucebert) en: “Het natte monster dat een woud is richt zich op en drinkt het licht in flarden” (Hugo Claus). Op de naast elkaar geplaatste doeken Mens van Appel (1953) en Portret van predikant Eleazar Swalminus van Rembrandt (1637) strijden verschillen en overeenkomsten om de eer. De precieze, beheerste schildertrant van Rembrandt naast de verbeeldingskracht van Appel. De kleurige, los in de ruimte geplaatste, staande figuur van Appel naast Rembrandts zittende gestalte die, met zijn donkere gewaad, bijna geheel in de achtergrond verdwijnt. Behalve dan het onvermijdelijke lichtspel dat wordt gespeeld op het gezicht en de handen van Rembrandts geportretteerde. Swalminus kijkt de beschouwer aan met open blik; de ogen van Appels fantasiefiguur zijn zwarte gaten, de mond vertrokken in een brede grijns. De mens van Rembrandt omklemt met één een hand de armleuning, de andere is geheven in de richting van de hartstreek. De handen van Appels mens wijzen naar voren, met de handpalmen naar boven, als in een vraag. Op deze doeken zijn het met name de onderlinge verschillen die de indrukken van de beschouwer vormgeven en versterken.
Waar overeenkomsten niet direct voor de hand liggen loont het om ernaar te zoeken, zoals tussen The deluge (De zondvloed), een tweeluik uit 1984 van Appel en Het bericht uit 1963 van Antoine Mortier. Ofschoon heel verschillend van opzet en kleurstelling zijn in beide werken de streken van kwast of penseel duidelijk te zien. Van geheel andere orde en, met name qua onderwerp, meer voor de hand liggend is de vergelijking tussen Rode wolk van Mondriaan (ca. 1907) naast Witte wolk van Ensor (1884). Vergeleken bij de dromerige, witte wolk van Ensor, met tinten variërend van wit en geel tot groen en blauw, komt het kleurenpalet van Mondriaans rode wolk er wat bekaaid vanaf. Ensor laat de lucht bijna naadloos overgaan in de zee; bij Mondriaan is het landschap, verticaal gezien, in tweeën gedeeld. Plaatsen we deze werken naast The deluge van Appel, dan zien we diens explosieve kleurenpalet op de twee eerder genoemde landschappen afketsen. The deluge, te vertalen als ‘zondvloed’, ‘overstroming’, wolkbreuk’. Donkere gestalten onder kleurige wolken. Die donkere lucht, wat houdt de kunstenaar daar allemaal in verborgen?
Na hem de zondvloed? “Van mij hoor je later nog” zei Karel Appel, begin jaren veertig, tegen zijn kompanen aan de Rijksacademie te Amsterdam. In 1948 was hij medeoprichter van CoBrA, waarmee hij gold als één van de wegbereiders van de informele (vormloze) kunst, een speelse variant binnen de abstracte schilderkunst en tegenpool van de geometrische abstractie. In de CoBrAjaren schilderde hij in felle kleuren, simpele vormen en stevige lijnen vriendelijke, onschuldige kindwezens en fantasiedieren, zoals Dieren uit 1949, dat in Brussel wordt getoond. Vis, vogel, en schildpad zijn geschilderd in kinderlijke, weliswaar krachtige vormen in rood, geel en blauw; de achtergrond is diagonaal opgesplitst in licht en donker. In zijn atelier in New York oogt de 83-jarige kunstenaar milder dan toen hij “maar wat aanrotzooide” en schilderde “als een barbaar in deze barbaarse tijd.” Toen hij met zijn werkwijze en uitspraken ophef veroorzaakte in de Nederlandse kunstwereld van de jaren veertig en vijftig. De tijd van het intense, expressionistische schilderen, geleid door het gevoel. In een steeds heftiger schildertrant smolten lijn en kleurvlak samen in een bewogen verfmassa. Appel smeet de verf op het doek, direct vanuit de tube, met kwasten, plamuurmessen. Met blote handen. Het zweet gutste hem van zijn kop. De schilder worstelde met verf om zijn ideeën op het doek te laten spreken. “Ik gooi d’r soms hele potten tegelijk op” aldus Appel in Vrij Nederland, n.a.v. de film De werkelijkheid van Karel Appel door Jan Vrijman (1962). Ik zag de film op veertienjarige leeftijd, de beelden en uitspraken herinner ik mij tot op de dag van vandaag.
Ook na het uiteenvallen van CoBrA heeft Appel de gevoelsmatige benadering van zijn onderwerp behouden. In de jaren zeventig kreeg zijn werk een meer decoratief karakter. Een sprekend voorbeeld is Energy Combined (1985). Rudi Fuchs beschrijft het schilderij als volgt: “In een geelgrijze lucht hangen en drijven wolkachtige vormen. Een ervan kan ook een beest zijn, de ander een soort ketel waaruit rook tevoorschijn komt. Het precieze beeld ontgaat me – maar ik mag niet vergeten dat dat precieze beeld er nooit was.” Het hedendaagse werk van Karel Appel is van een geheel andere signatuur dan zijn kunst uit de tijd waarin zijn manier van werken tot schandalen leidde. Zo schildert hij soms een doek in enkel wit of zwart en leeft hij zich uit in zijn assemblages. Nog steeds demonstreert hij zijn ongrijpbare ‘werkelijkheid’, vanuit gevoelsmatige benadering in een expressionistisch handschrift. Appel werkt aan één schilderij tegelijk, zo vertelde hij ooit aan Rudy Fuchs ter gelegenheid van een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam. Voordat hij begint kijkt hij lang naar het doek, maar met de kwast eenmaal in zijn handen kan hij de drang om met verf aan de slag te gaan nauwelijks inhouden. Waar het lijkt dat hij impulsief te werk gaat legt hij het geduld en de precisie aan de dag om de kleuren te mengen tot hij tevreden is. Naarmate het schilderij vordert werkt hij langzamer, om te eindigen met hier en daar nog een enkele streek. In 1986 zei Karel Appel het volgende: “Ik heb in de loop van de jaren geleerd hoe ik olieverf op doek moet brengen. Ik kan nu met verf alles doen wat ik wil. Maar het is nog steeds een strijd, nog steeds een gevecht.” De kunstenaar is nog altijd bevangen door die hartstocht van het creatieve proces. Fons Heijnsbroek zegt: “Hij vermaalt alles; zijn passie, zijn materialen, oude maskers, zijn geld…” “Hij verdrinkt bijna in zijn hoeveelheid borelingen…” “Het is werkelijk een soort naakte scheppingsdrang.” “Op het ogenblik zit ik nog in de chaos” vervolgde Appel in 1986. “Maar het is nu eenmaal mijn aard om de chaos positief te maken. Dat is tegenwoordig de geest van onze tijd. We leven in een verschrikkelijke chaos, en wie kan de chaos nog positief maken? Alleen de kunstenaar.” Als je Karel Appel vraagt wat er, na zijn dood, moet gebeuren met zijn omvangrijke nalatenschap geeft hij als antwoord: “Ik zou het niet weten.” Het scheppen blijft voor hem de zichtbare vervulling, een “tastbare zinnelijke ervaring.” Après nous le deluge. Het zou Appels lijfspreuk kunnen zijn. Het artikel is geschreven naar aanleiding van de tentoonstelling Karel Appel: Onderweg. Reis van Rudi Fuchs langs de kunst der Lage Landen. Links: * Karel Appel op Wikipedia – Nederland Naslag: – Karel Appel. Onderweg. Reis van Rudi Fuchs langs de kunst der Lage Landen (Mercatorfonds). © Ingrid van den Bergh |
een programma met films van Henri Storck rond Oostende. 23 januari 2016 om 11:00 @CC de Grote Post

Organisatie BILDNIS
een onafhankelijk en actief platform voor kunstliefhebbers om kennis, ervaring, interesse en fascinatie rond hedendaagse beeldende kunst uit te wisselen.
Met een exclusief programma brengen we aandacht aan dit rijke erfgoed en slaan de Stichting Henri Storck, BILDNIS_forum voor kunst en de Kunstacademie aan Zee de handen in elkaar met een selectie filmvoorstellingen. Vier zaterdagochtenden krijgen we een unieke blik op de bewegende kunst van Henri Storck in het intieme kader van de Klas in CultuurCentrum De Grote Post.
De films zijn opgesteld in vier reeksen rond een specifiek thema (Oostende – sociale betrokkenheid – kunstenaars – Ensor en de film), waarbij tijd is voorzien voor duiding en ontmoeting. Voor wie de films al vaak gezien heeft: een mooie herinnering; voor wie deze films een eerste kennismaking worden: een ware ontdekking!
over Oostende
“Storck kent het strandleven op zijn duimpje … Het schouwspel der zee en der duinen was het decorum van zijn jeugd. Wanneer hij zijn camera naar het zeestrand richt, komt zijn sensibiliteit spontaan los, noteert hij een beeldensuite die hij jarenlang heeft gekoesterd. Ook het leven aan
het strand kent hij tot in de kleinste détails, met inbegrip van de tegenstellingen tusschen het strandvermaak der rijke badgasten en het gestolen pretje van de arbeidersfamilies die zich amper een week-einde aan zee kunnen veroorloven … Storck draaide deze films echter in opdracht, voor toeristische doeleinden. Dies mocht blijkbaar alleen de mondaine charme van het strandleven worden getoond. Van dit leven, en van de heerlijkheid der natuurelementen, biedt Zonnig leven aan het strand een levendig totaalbeeld, stemmig en dartel.”
Vooruit, 26 februari 1937
Beelden van Oostende, 1929-1930
Idylle aan het strand, 1931
Oostende, Koningin der badsteden, 1931
Trains de plaisir, 1930
A propos de Nice, Jean Vigo en Boris Kaufman, 1930
Praktische informatie
Tijdstip
zaterdag 23 januari 2016 om 11:00
Locatie
De Klas, CultuurCentrum De Grote Post Hendrik Serruyslaan 18A, 8400 Oostende
Prijs
6 euro per persoon (voor leden en niet-leden / handling via Uitloket inbegrepen)
Inschrijven via Uitloket
Hendrik Serruyslaan 18A, 8400 Oostende
059/33.90.00 – uit@oostende.be – http://www.uitinoostende.be
Openingstijden:
maandag tot vrijdag van 10.00 tot 18.00 uur
zaterdag van 14.00 tot 18.00 uur
over Henri Storck
Oostende was een modieuze badstad toen Henri Storck in 1907 werd geboren en dankzij de contacten die de familie had met kunstenaars, leerde Storck reeds op jonge leeftijd James Ensor, Léon Spilliaert en Constant Permeke kennen. In de jaren twintig bezocht hij regelmatig hun ateliers en keek hij toe hoe ze schilderden. Ze praatten uren over schilders en schilderkunst en stimuleerden hem om films te maken. Ook de surrealistische schilder Félix Labisse voegde zich regelmatig in dit pittoresk gezelschap. Met een Kinamo camera draait hij poëtische en surrealistische kortfilms die uitgegroeid zijn tot klassiekers en wordt hij de “officiële cinegrafist” van de stad Oostende. Gaandeweg wordt hij de belangrijkste documentairemaker van België, wat hem ook internationale bekendheid oplevert en richt hij in 1928 een lmclub op in zijn geboortestad.
In de jaren dertig nam zijn carrière een politieke wending en verwierf hij wereldfaam met de film Borinage die hij in 1933 samen met Joris Ivens maakte. Het werd een film die een ware mythe geworden is en waarin hij optreedt als “verontwaardigd maar scherpzinnige getuige” van de levensomstandigheden van de arbeiders. Tegelijk komt hij aan de kost door talrijke films in opdracht te maken en door films te produceren zoals de Vrijheren van het woud van Sielmann en Brandt (1958) en Jeudi on chantera comme dimanche van Luc de Heusch (1966). Hij laat ook belangrijke antropologische films na: Boerensymfonie (1942-44) en Feesten in België (1969-72) en wordt een referentie inzake kunstfilms, vooral met de films die hij wijdt aan Delvaux, Labisse en Rubens. Zijn eerste fictiefilm wordt een langspeelfilm: Het Banket van de smokkelaars (1951), naar een scenario van Charles Spaak.
ACADEMIE_letterlogo KAZ TxTonly2014logo fonds
Pijler: expo · Seizoen: Images d’Ostende
← Henri Storck – films rond sociale betrokkenheideen boekenplank met 10 boeken – Kristof Van Gestel →